6 februari 2018
FEL

frans & elly & anne hollander
lagedijk 30
3998 kb schalkwijk
telefoon (030) 2802227
e-mail
franshollander@ziggo.nl
e-mail
anne.hollander@12move.nl

apple

eerste versie
gemaakt op
22 juli 1997

voor het laatst gewijzigd
7 februari 2018


Onderwijsverhalen

vormgeving

Bijna 60 jaar heb ik met onderwijs te maken gehad. Eerst als leerling en student, later als docent. In die periode heb ik van alles meegemaakt. Een aantal ervaringen van mij heb ik ondergebracht in een vehaal. Al die verhalen staan op deze site. Het gaat om de verhalen:

Onderwijsverhalen

1 Een leven lang onderwijs

Een normaal mens volgt een schoolopleiding en gaat werken als hij zijn diploma’s binnen heeft. Een leraar niet. Die blijft zijn hele leven in het onderwijs. En als je dat maar lang genoeg volhoudt, kan een heel leven bestaan uit onderwijs.

In mijn geval heb ik van mijn vierde tot mijn 65ste jaar in het onder- wijs gezeten. De verschillende scholen die ik heb bezocht zal ik een voor een langslopen.

Kleuterschool

Mijn eerste school is de kleuterschool, waar ik les heb van zuster Christophora. Zij is een non, die gekleed is in wat wij nu een boerka noemen, maar wat toen een habijt heette. Een habijt toen leverde overigens meer status op dat een boerka in deze tijd. Het is dus een katholieke school en de dag begint en eindigt met een gebed. Dat startte altijd met een kruisteken en dat moeten wij kinderen maken met onze rechterhand. De zuster staat voor de klas en houdt de arm hoog waarmee wij het kruisteken moeten maken. Omdat zij met haar gezicht naar de klas staat en dus tegenover de kinderen, houdt zij niet haar rechterarm hoog, maar haar linkerarm. Ik herinner mij dat ik dat als kind in de kleuterleeftijd al raar vond, hoewel ik het toen nog niet kon verklaren.

Als de zuster in de klas haar verjaardag viert, vraagt de klas naar haar leeftijd. Als kind heb je niet zoveel kijk op leeftijden van ouderen. Ie- mand raadt 25 jaar en zuster Christophora keurt dat antwoord goed. Ik heb toen geroepen: “Oh, dan kunt u nog kleine zustertjes krijgen, want mijn moeder is ook 25 en die kan nog kleine kindertjes krijgen.”

Lagere school

Was de kleuterschool nog gemengd, de lagere school is strikt geschei- den. Je hebt de jongensschool, de St. Bernardusschool, en je hebt de St. Agnesschool voor meisjes. De school bestaat uit één gebouw, maar in het midden loopt een muur die de beide scholen de nitief uit elkaar houdt. De muur loopt door tot het einde van de speelplaats. In de leeftijd van 6 tot en met 12 jaar zijn meisjes dus altijd achter de muur, buiten ons zicht gehouden. Behalve met mijn zussen, heb ik daardoor weinig contact met meisjes.

De lagere school wordt gerund door de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria uit Maastricht, die een klooster hebben in de Schiedamse Warande. De broeders dragen geen nonnenkap, maar lopen wel altijd in lang habijt. Alleen als we op schoolreisje gaan, verschijnen ze in een zwart pak met een rond boordje. In alle klassen staat een broeder voor de klas, behalve in de klassen 3 en 5, daar staan burgers, zoals dat genoemd wordt. Na de eerste twee jaar door broeders te zijn gevormd, vrezen we de gewone man, meneer Steens, die in de school ‘meester Krent’ wordt genoemd. Terwijl ik altijd graag naar school ga, wil ik de eerste dag van het derde leerjaar thuisblij- ven, uit vrees voor Krent. Achteraf geheel ten onrechte, want als ik nu terugkijk, is de meester van de derde klas de leukste onderwijzer die ik heb gehad.

Achteraf opvallend was, dat in alle lagere klassen werd voorgelezen uit de boekjes van Wipneus en Pim, twee kabouters die in elk verhaal samen op pad gingen, om de een af andere reden van elkaar werden gescheiden, allerlei avonturen beleefden en uiteindelijk weer bij elkaar kwamen. Deze boekjes zijn geschreven door B. van Wijckmade, latere deeltjes door B.J., B.W., B.A., B.C. Achter al deze namen gingen broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria schuil. Die hadden een klooster in het Maastrichtse stadsdeel Wyck en de eerste broeder heette Bruno van der Made. Overigens zijn verschillende broeders later in verband gebracht met de ongewenste seksuele activiteiten van gees- telijken met kinderen. Ook uit Schiedam zijn meldingen gekomen van broeders die kinderen misbruikten, maar ik heb daarvan niets gemerkt.

Dat het een katholieke school is, wordt elke dag aan het begin al duidelijk: we beginnen met bidden. En vanaf de derde klas moeten we de catechismus leren, een vraag-en-antwoord-boekje met thema’s uit het katholieke leven. Elke week op woensdag wordt opgegeven welke regels we moeten leren, en leren betekent hier het uit je hoofd kunnen op- zeggen. De afspraak is: wie de regels woensdag al kan opdreunen voor de klas, krijgt een 10. Wie het donderdag kan, krijgt een 9, de vrijdag is goed voor een 8, de zaterdag een 7, maandag een 6 en dinsdag een 5. Alles gaat hardop voor de klas, dus je oefent de hele week nog door. Als iemand zijn tekst niet kent, moet hij de volgende dag opnieuw.

Het duurt uren voordat de hele klas, altijd meer dan 30 kinderen, aan de beurt is geweest. Ik was een brave leerling en probeer altijd op donderdag al de 9 te scoren, wat een 9 voor Godsdienst op het rapport oplevert.

Wat ik de school achteraf zeer kwalijk heb genomen, is dat ook de zaakvakken doordrenkt waren met het katholieke leven. Je kunt rustig stellen dat hier sprake was van indoctrinatie. Zo leerden wij bij de geschiedenisles in een tussenzinnetje, dat Luther een ketter was, waar je vooral niet te veel aandacht aan moet besteden. Later ontdekte ik, dat Luther voor de ontwikkeling van de West-Europese maatschappij van enorm belang is geweest. Daarentegen leerden we dat in 1853 de kerkelijke hiërarchie was hersteld, alsof dat wereldnieuws was.

Omdat ik geen domme jongens ben, mag ik in de zesde klas de bibliotheek verzorgen. De school heeft een eigen collectie boeken, die alle- maal zijn gekaft met bruin, later groen kaftpapier. Elk boek heeft een nummer waaruit het niveau blijkt. De leerlingen krijgen aan het begin van het jaar een kaart en een lijst met beschikbare titels. Op de kaart moeten ze, zonder het boek gezien te hebben, de nummers noteren van de boeken die ze willen lezen. Mijn taak is de boeken in de klas op te halen, terug te zetten in de kast en een nieuwe stapel te maken op basis van de opgegeven nummertjes. Uiteindelijk staat er weer eenzelfde stapeltje boeken in de klas, maar nu met andere kaartjes van andere lezers. Een weinig leesbevorderende manier van werken. Het is vooral de mond-tot-mondreclame die duidelijk maakt wat goede en wat minder goede boeken zijn. En Wipneus en Pim is royaal vertegenwoordigd.

Middelbaar onderwijs

Wat hebben we nog niet gehad? Na de zusters van de kleuterschool en de broeders van de lagere school wordt mijn middelbare school geleid door de paters, de paters Augustijnen, die OSA achter hun naam hebben, van Ordo Sancti Augustini. Omdat Schiedam een eigen heilige heeft, Sint Liduina, heet de school St. Liduina Lyceum. Bij de invoering van de Mammoetwet in 1968 verandert die naam in Spieringshoek- lyceum, maar dat is na mijn tijd De paters wonen in een huis in de buurt van de school dat geldt als dependance van het hoofdklooster in Eindhoven. In mijn tijd is pater J.J. Lub OSA de rector, een pater die later uittrad, omdat hij zich de huwelijksperikelen van een vrouw zo aantrok, dat hij met haar is getrouwd. Hij is rector, moet leiding geven aan de school, maar hij moet in die functie toch contact houden met het onderwijs. Daarom geeft hij per week één uur les: een les Nederlands Struikelblokken in klas 1D, de eerste klas waarin ik zit. Ik herinner mij de eindeloze lastige zinnen met moeilijke werkwoordsvor- men. Hij loopt door de klas en als je aan de beurt bent, gaat hij achter je staan en masseert hij je schouders.

Conrector was J.A. Uyttewaal OSA, die na het vertrek van Lub de rector wordt. Hij geeft Frans in de hogere leerjaren. Omdat hij heel bekend is in Parijs, organiseert hij voor geslaagden van de school een week in Parijs in de zomervakantie na de diplomering. Ik ben met die reis mee geweest in 1968, net na de rumoerige meimaand daar. We slapen in een school aan de Boulevard St. Michel, midden in Parijs, in de periode waarin de kinderen die er intern verblijven met vakantie zijn. Vanwege zijn functie kan hij in het toen nog katholieke Frankrijk menig potje breken. Als we moeten eten en het was erg druk in het restaurant, dan weet hij een aparte tafel te regelen waaraan we gelijk worden geholpen. Als er voor de ingang van de Eiffeltoren een lange rij staat, klampt hij een suppoost aan die ons via een achterdeurtje direct de toren binnenlaat.

Voor velen is de middelbare-schooltijd de leukste tijd van hun leven. Voor mij geldt dat niet. Dat heeft vooral te maken met mijn leeftijd, denk ik achteraf. Ik was een goede leerling, die elk jaar over ging. Maar in elk jaar zijn er wel zittenblijvers en die verhogen de gemiddel- de leeftijd. In de derde klas komen er zelfs zes nieuwe leerlingen bij die eerst een MULO-diploma hebben gehaald en nu verder gaan op de HBS. Die jongens komen op Puchs naar school. Zit ik daar als jochie van 14 tussen al die 16- en 17–jarigen. Als in zo’n klas beurten worden uitgedeeld voor een spreekbeurt, dan kruip ik bij wijze van spreken onder de tafel, om toch vooral maar niet als een van de eersten te hoeven. De praatjesmakers in de klas bieden zich wel aan, zodat ik als een van de laatsten aan de beurt kom. Dom natuurlijk van mij, want terwijl iedereen zijn spreekbeurt achter de rug heeft en volkomen ontspannen de verrichtingen van de klasgenoten kan beluisteren, zit ik vol zenuwen nog tegen mijn spreekbeurt aan te hikken.

In de eerste klas heb ik zonder veel inspanningen alle toetsen zonder onvoldoende afgesloten. Bij de overgang heb ik het hoogste aantal punten op het rapport, wat mij een vulpen beschikbaar gesteld door inktfabriek Talens oplevert. In de tweede klas gaat het bij het allereerste proefwerk Frans volledig mis. Ik scoor een 3, de allereerste onvoldoende in mijn carrière. De leraar Frans, Rottier, zet mij bij de be- spreking van dit proefwerk voor het bord en weidt uitgebreid uit over elke fout die ik heb gemaakt. Ik kan wel door de grond zakken.

Ik volg HBS-b, de exacte richting. Dat betekent dat de talen van min- der belang zijn dan bij HBS-a of de MMS. Dat blijkt ook uit de examinering: voor het HBS-b-examen hoeven wij maar voor één taal mondeling te doen. Of het traditie is of een eenmalige toevallige omstandigheid, weet ik niet, maar in ons examenjaar lekt uit dat het mondeling examen in het Frans zal worden afgenomen. Vanaf dat moment heb ik geen boek meer in het Duits of Engels gelezen en focus ik mij volledig op het Frans. Achteraf heb ik daar wel spijt van, want ik heb mijn hele leven last van een gebrekkige kennis van het Engels en het Duits. Zelf docent heb ik jarenlang mij niet opgegeven voor een docenten- uitwisseling met scholen in de Verenigde Staten omdat ik dacht dat mijn Engels daar niet goed genoeg voor was. Totdat ik besefte dat hun Nederlands waarschijnlijk slechter is dan mijn Engels en totdat ik voldoende air had om daar geen last meer van te hebben.

Een van de tradities van de school is de opvoering van een toneelstuk door vijfde- en zesdeklassers voor ouders en medeleerlingen. Als ik in de vijfde klas zit, is er een klucht gekozen van Carlo Goldoni en bij de voorbespreking hebben de docenten mij gespot als een van de spelers. Als mij dat gevraagd wordt, durf ik het niet aan en weiger ik de rol. Jammer dat de school niet meer heeft aangedrongen, want als ik mijn leven opnieuw zal mogen doen, is dat een van de dingen waarop ik wel direct zal toehappen.

Tsja, en na de middelbare school moet je verder. Ik heb niet direct een carrièreplanning gemaakt en ik wil al helemaal niet bij mijn moeder weg. Wel wil ik op de kleuterschool al zuster worden [wist ik veel], wil ik op de lagere school broeder [lees onderwijzer] worden en op de middelbare school wil ik wel leraar worden. In de bibliotheek heb ik een boek gevonden dat in twee delen behandelde: Nederland zoals het was, Nederland zoals het is. Omdat ik daarover in gesprek kom met mijn docent aardrijkskunde, wordt dat mijn lievelingsvak en mijn lievelings- docent. Dus besluit ik Geografie te gaan studeren.

Overigens: de man die toen mijn lievelingsdocent was, zou ik nu helemaal niet zo hoog inschatten. Hetzelfde geldt voor meer docenten. De docenten die ik toen goed vond, vind ik nu helemaal niet zo goed. Die kauwden alles voor, zeiden precies wat je moest leren voor een proefwerk of als huiswerk moest maken en leerden je geen enkele zelfstandigheid en niet te re ecteren op je gedrag. Als ik kijk naar mijn eigen houding in de lessen, dan zou ik mijzelf als middelbare scholier niet bij mijn favoriete leraren plaatsen. Achteraf ben ik docenten die ik toen verfoeide steeds meer gaan waarderen. Van de leraar Biologie, zeker niet mijn favoriete vak en zeker niet mijn favoriete leraar, herinner ik me nu nog enkele markante uitspraken. Zo zei hij: “Een man in een onvolmaakte vrouw, want het ontbreekt hem aan een baarmoeder. Vrouwen hebben alles wat een man ook heeft.”

Universiteit 1

Als ik geogra e wil studeren, moet ik weg uit Schiedam. De Erasmus- universiteit in Rotterdam biedt die richting niet aan, het moet Am- sterdam, Groningen, Nijmegen of Utrecht worden. In eerste instantie gaat de belangstelling uit naar Nijmegen, dat is immers een katholieke universiteit. Of mijn ouders toen al in de gaten hadden dat die univer- siteit ook de meest rode was, weet ik niet. Maar Nijmegen is het niet geworden. Ik ga naar Utrecht. Tsja, en dan zit je als 17-jarig jongetje uit een gesloten gezin ineens op je eentje in een grote stad. Die stap is te groot. Te groot. Ik doe twee jaar over het eerste jaar, leer daar veel interessante dingen, maar ontdek ook dat de wetenschappelijke geografie niet mijn belangstelling had. Na twee jaar ben ik nog niet door het eerste jaar heen en moet ik stoppen.

Pabo

Van de universiteit ga ik naar de PABO, ook in Utrecht. De meeste leerlingen van die school komen van de eigen HAVO-top die aan die school verbonden was, maar één klas bestaat uit aanvoer van buiten. Behalve een gesjeesde geogra estudent zitten in die klas twee jongens die al in dienst zijn geweest, een vader die een nieuwe studie begint, meisjes die aan een tweede studie beginnen en wat aanvoer van andere HAVO-scholen. Ik ben voor het eerst van mijn leven een van de ouderen in de klas en zit in een klas die gemiddeld volwassener is dan de andere klassen. Nooit heb ik een leukere opleiding meegemaakt dan deze PABO. Als er nu iemand iets voor het bord moet doen, bied ik me direct aan, hoe anders dan op de middelbare school. Het bevalt me. Een groep uit deze klas werkt niet alleen samen in school, maar ook buiten de les ontmoeten we elkaar veel. We doen dan iets aan het huiswerk of luisteren naar muziek of maken de schoolkrant. Enkele studenten hebben een eigen kamer, waaronder ik, dus we kunnen op verschillende plaatsen terecht.

Op die school ben ik ook in de Academieraad gaan zitten. Daar heb ik mijn eerste bestuurlijke ervaring opgedaan. Al ging dat in niet altijd even soepel. De allereerste vergadering is er een pakket maatregelen voorgesteld, waarmee wij studenten het totaal niet eens waren. De voorzitter behandelt elk puntje afzonderlijk terwijl ik zit te wachten op een globale bespreking. Maar nadat hij elk punt apart heeft doorgenomen, meldt hij dat het voorstel daarmee is aangenomen. Ik ben met stomheid geslagen. En weet nu wat manipulatie is. Later let ik wel beter op.

Ik ben vaak een luis in de pels van de directie. Dat is wel nodig ook, want in en tijd waarin de democratisering van het onderwijs steeds meer in beeld komt, probeert deze directeur met autoritaire maatrege- len zijn school te regeren. Hij heeft me een keer bij zich geroepen en mij gezegd dat het jammer is dat zijn broer in Afrika woont, want die zou mij wel eens in elkaar slaan. Ik heb over die uitspraak een klacht ingediend bij de inspectie, waarna hij is berispt. Onze geschiedenisleraar was J. Bos. Een heel geschikte man, met één eigenaardigheid. Als hij een proefwerk geeft over een bepaalde periode in de geschiedenis heeft hij standaard vier vragen.

Wat weet je van de volgende personen [volgde een lijst van namen] Wat weet je van de volgende gebeurtenissen [volgde een lijst van gebeurtenissen]

Waarvoor dienden de volgende zaken [volgde een lijst van voorwerpen] Wat gebeurde er in ..... [volgde een lijst van jaartallen].

Voor de Gouden eeuw had hij bijvoorbeeld:

Wat weet je van de volgende personen a Rembrandt van Rijn / b Wil- lem III / c Johan van Oldenbarnevelt / d Hugo de Groot

Wat weet je van de volgende gebeurtenissen a Twaalfjarig bestand /

b Overwintering op Nova Zembla / c De tocht naar Chatham / d Het rampjaar

Waarvoor dienden de volgende zaken a Armada / b VOC / c Nieuw-Am- sterdam / d Slingeruurwerk

Wat gebeurde er in a 1568 / b 1625 / c 1651 / d 1672

Bij elke vraag moet je noteren wat je weet in de hoop dat je erbij schrijft wat Bos wil lezen. Het is een soort De Slimste Mens voordat dat programma bestaat. In de les hebben we een hele discussie gehad over het nut van jaartallen. Bos vindt jaartallen belangrijk en vindt dat kinderen rijtjes jaartallen moeten leren en kunnen opdreunen. Ik sta op het standpunt dat jaartallen ook belangrijk zijn, maar dan in de context van een persoon, een gebeurtenis of een zaak. We komen er niet uit.

Tijdens de proefwerken beargumenteer ik mijn standpunt expliciet: ik beantwoord de eerste drie vragen uitgebreid en met zoveel mogelijk jaartallen erin verwerkt, vooral de jaartallen uit vraag 4. Maar vraag vier beantwoord ik niet. Ik laat het papier achter de 4 leeg en lever zo mijn proefwerk in.

De wraak van Bos is nog zoeter, want ik kom niet in aanmerking voor de punten die je met vraag 4 kunt verdienen. Voor geschiedenis haal ik nooit een hoger cijfer dan een 5.

Op de Pabo werkt een docent Nederlands met charisma. Hij weet boei- end te vertellen over zijn vak, maar heeft ook een uitgesproken mening over de school, een mening waar ik me vaak in kan vinden. Dat schept een band. Hij loopt tegen zijn pensioen, maar is onlangs begonnen aan de universitaire studie Nederlands. In de laatste fase waarin hij zit, moet hij papers schrijven. Hij is niet zo handig met de typmachine en daarom vraagt hij mij zijn scriptie uit te typen. Het is een verslag over een van de toneelstukken van Herman Heijermans. Die opdracht brengt mij bij hem thuis aan de Vecht in Maarssen. Daar heeft hij een studeerkamer vol boeken, met de mooiste banden en eerste drukken die ik ooit heb gezien. Hij toont me enkele van zijn pronkstukken, in die tijd waren dat de eerste drukken van de werken van Ter Braak en Du Perron. Veel van zijn topstukken heeft hij gekocht op een veiling van een particuliere bibliotheek in Utrecht. Op de dag van de veiling waren de omstandigheden zo winters, hevige sneeuwval en ijzel, dat maar weinig handelaren het aandurfden naar Utrecht te rijden. Hij was een van de weinige kopers en kon met een laag bod toch een belang- rijke kavel binnenhalen. Een enkel dubbel exemplaar in zijn collectie doet hij mij cadeau, waardoor ik nu over de complete verzameling toneelstukken van Vondel beschik.

Tijdens de opleiding moeten wij vanaf het eerste jaar stage lopen op een basisschool. Het eerste en tweede jaar een dag in de week, het derde jaar drie dagen in de week. Mijn eerste stage-adres is een echte volksschool in de wijk Zuilen. Ik zit in de vierde klas [nu groep 6] bij een onderwijzer die al jaren in het vak zit en zonder extra inspanning model had kunnen staan voor de schoolmeester in de boeken van Piet- je Bell. Hij heeft een strak grijs pak met stropdas, is rond de zestig jaar en heeft een kromme neus, waar hij doorheen spreekt. Hij is streng en afstandelijk, maar dat komt ook doordat zijn klas uit 41 kinderen bestaat, 41 volkskinderen, die niet geboren zijn om in een schoolgebouw te zitten. Het aantal is te groot voor een standaard klaslokaal, zodat de kinderen in een afgeschot deel van de hal zitten. Na de eerste dag vraagt hij mij welke les ik de week erna wil geven. Ik kies voor een veilig terrein, aardrijkskunde. Thuis zoek ik in ons aardrijkskundeboek naar een geschikt onderwerp, wat ik nog niet eens zo gemakkelijk vind. Uiteindelijk kies ik voor een les over boerderijtypen, maar niet het type bedrijf, maar het type bouwwerk: exemplaren als kop-hals-romp-, stolp- en langgevelboerderij en hun regionale spreiding. Ik heb mijn les goed voorbereid en heb alle plattegronden en voor- en zijaanzichten geschetst. De tweede week geef ik de les en voor die eerste keer zijn de kinderen belangstellend en daardoor rustig. Dat is prettig voor mij. In de nabespreking zegt de onderwijzer mij, dat hij het een prachtig college had gevonden, maar dat de kinderen er weinig van zullen hebben begrepen. Veel van deze stadskinderen zijn nog nooit buiten de stad geweest, hebben nog nooit goed naar een boerderij gekeken, laat staan dat ze onderlinge verschillen in de bouwwijze ervan zullen waarnemen. Dat is de eerste les die hij mij leert. Er volgen er nog vele.

De laatste stage moet ik samen doen met een jongen uit een andere klas op de openbare dorpsschool in Vreeswijk. Laten we hem Leo noe- men. Die school staat loodrecht op het water met een oude schoolmeesterswoning op het speelplein. In de pauze drinken we kof e bij ‘moeder aan de overkant’. De jongen uit de andere klas had een auto, een Volkswagen kever, wat hem een geweldige pre opleverde. Ik kon met hem meerijden van Utrecht naar Vreeswijk en terug. Tijdens de eerste rit naar Vreeswijk doet hij een voorstel: “Zullen we onze scriptie samen schrijven?” Ik was daarvoor gewaarschuwd. Hij stond bekend als een meelifter die bij voorkeur zijn werk door anderen liet opknappen. Omdat ik daar geen zin in heb, zeg ik hem dat ik daar niet voor voel en mijn eigen scriptie wil maken. Hij is nog wel zo aardig me niet uit de auto te zetten, maar echte vrienden worden we niet.

Basisschool 1

Na de Pabo ga ik aan het werk op de John F. Kennedyschool in Utrecht Overvecht. Op die school had ik in het tweede leerjaar stage gelopen in de vijfde klas bij een fantastische onderwijzer. Ik had een leuke tijd en wil graag in zijn team werken. Bij het begin van het schooljaar blijkt hij een andere baan te hebben aangenomen. Hij werkt nu voor Veilig Verkeer Nederland en heeft de school verlaten. Wel tref ik onder mijn nieuwe collega’s een oude bekende aan: Leo, met wie ik in Vreeswijk stage liep.

Ik krijg de derde klas. Een leuke klas, waar ik lekker mee aan de slag ga. Natuurlijk kom ik wel eens een probleempje tegen, maar dat pro- beer ik dan zelf op te lossen.

In de tweede klas zit een juffrouw, die we tegenwoordig ‘mevrouw’ zou- den noemen. Ze is niet getrouwd, 62 jaar en heeft een enorme ervaring op deze school. Op een vrijdagmiddag komt ze bij mij het klaslokaal binnen, heel bijzonder, want dat doe je niet: een klaslokaal is het hei- ligdom van de onderwijzer, je komt niet zomaar bij elkaar naar binnen. Haar komst heeft een reden. Zonder iets te zeggen komt ze naast me staat en vouwt een briefje open dat ze in haar had heeft. Er staat op: “De inspectie is op school”. Zonder iets gezegd te hebben verlaat ze het lokaal weer. En inderdaad, enige tijd later komt de inspecteur de klas binnen. Later vraag ik haar waarom ze met dat briefje kwam. Ze antwoordt: “De inspecteur kijkt altijd op het rooster dat achter het bord hangt en controleert dan of je je aan het rooster houdt.” In mijn loopbaan ben ik vaak van het rooster afgeweken, maar niet in het begin ervan. Toen bracht ik structuur aan in de lessen door gebruik te maken van het rooster. Het ontzag van zo’n oude rot in het vak voor de inspectie verbaast me overigens wel.

Na een half jaar word ik bij het hoofd van de school geroepen. Functi- oneringsgesprekken bestaan nog niet en het voelt alsof ik op het matje word geroepen. Meer gebiedend dan vragend zegt hij:

“Jij zult toch wel eens problemen hebben in je klas, waarom hoor ik daar niets van?”

Ik antwoord: “Zeker heb ik wel eens problemen, maar daarvoor zoek ik dan een oplossing.”

Hoofd: “Maar waarom kom je niet naar mij toe als je een probleem hebt? Daar ben ik toch voor. Neem een voorbeeld aan je collega Leo, die ook dit jaar is begonnen op onze school. Die komt regelmatig naar mij toe.”

“Ik vind het belangrijker om een probleem zelf op te lossen, dan het iemand anders te laten oplossen zoals Leo altijd doet. Ik doe het liever zelf.”

Dat antwoord is misschien niet het meest tactische voor een beginnend onderwijzer, maar het hoofd geeft mij niet het vertrouwen dat ik wat aan hem heb. Mijn antwoord valt niet in goede aarde. Het gesprek neemt een wending waardoor de toon onvriendelijker wordt. Aan het eind van het gesprek kondig ik aan: “Vanaf nu ga ik op zoek naar een andere baan.”

Al na twee maanden werk ik op een nieuwe school. Ik was welgeteld negen maanden in dienst geweest van de John F. Kennedyschool.

Basisschool 2

In maart kom ik op mijn nieuwe school. Omdat het schooljaar nog maar enkele maanden duurt en de school snel groeit, krijg ik nu geen eigen klas, maar vorm ik met het hoofd der school op een koppel in klas 6. Alleen op vrijdag heb ik de klas alleen, dan werkt hij elders. In mijn hele schoolloopbaan ben ik nauwelijks ziek geweest, maar uitge- rekend de tweede week dat in Zeist werk, ben ik ziek en daardoor een hele week afwezig. Niet zo’n beste start. Gelukkig ben ik daarna niet meer ziek geweest, ik heb er althans geen dagen voor verzuimd. Privé volg ik in die tijd een volksdanscursus en wat ik daar leer, pas ik toe in de muzieklessen op vrijdagmiddag. We dansen niet alleen op oude volksliedjes, maar doen ook moderne dansen op nummers uit de hit- lijsten. Veel succes heb ik met Chirpy chirpy cheep cheep, een hit van Middle of het Road. Als het in mei heel heet is, verplaats ik het podium naar buiten. De kinderen vinden het prachtig, hun ouders, die op het schoolplein wachten, ook. Van hen hoort het hoofd dat ik ‘buiten de boel op stelten zet’. Gelukkig denkt hij daar zelf anders over. Vele jaren later krijg ik van een van deze leerlingen te horen dat ze die dansles- sen op popmuziek het leukste van hun schooltijd vonden.

Na de zomervakantie krijg ik mijn eigen klas, de vijfde klas. Het is het enige jaar in mijn leven dat ik full time een klas heb. Het was een grote klas waarin altijd veel bedrijvigheid is. Het hoofd, dat zelf weer klas 6 doet, vraagt zich af of die kinderen in dat lawaai nog wel wat leren. Maar als hij na een jaar de groep in zijn zesde klas krijgt, is hij verbaasd over wat ze allemaal weten. Alleen van biologie weten ze niet veel. Tijdens een ouderavond maakt ik de blunder te melden dat ik niets heb met biologie en dat ik dat vak liever niet geef. Enorme protesten van de ouders, want biologie was juist het vak dat de kinderen zo leuk vinden. Ik had beter kunnen zeggen dat ik er niet van houdt om cavia’s en ander huisdieren in de klas te halen of te houden. Zo bedacht ik een project over relaties en kinderen. Niet in de zin van seksuele voorlichting, maar in de sfeer van relaties. Zo laat ik elk kind vragen hoe hun ouders elkaar hebben leren kennen. Niet iedereen wil daar even graag op antwoorden, maar na enige toelichting de mees- ten wel. Als slot van de lessenserie haal ik een moeder met baby in de klas, die voordoet hoe je een baby in bad doet. De kinderen kijken ademloos toe. Er zijn nog maar weinig kinderen met baby-broertjes of zusjes. Later blijkt die baby een bekende pianist geworden.

Tijdens dat jaar op de basisschool heb ik het erg naar mijn zin. Maar desondanks bedenk ik, dat ik niet mijn hele leven op de basisschool wil werken. Ik besluit weer te gaan studeren en meld me aan bij de Rijksuniversiteit Utrecht voor de studie Nederlandse taal- en letterkun- de.

Universiteit 2

Toe ik op de kleuterschool zat, wilde ik kleuterzuster worden, toen ik op de basisschool zat, wilde ik broeder-onderwijzer worden, toen ik op de middelbare school zat, wilde ik leraar worden. Nu ik op de universiteit zit, weet ik zeker dat ik nooit op een universiteit zou willen werken. Zeker: er werken bijzondere mensen als W.P Gerritsen, de mediëvist die wij De Grote WP noemen, omdat hij werkelijk foutloos Nederlands spreekt en ontzettend veel weet. Of A.L. Sötemann die mij op het spoor van Multatuli zet. Maar er lopen ook mensen met zulke oogkleppen op, dat je je afvraagt of ze wel weten in welke maatschappij ze leven. Misschien is dat wel inherent aan vakken als Middelne- derlandse taalkunde of Letterkunde van de renaissance, maar het is niet mijn werkomgeving. Ik kies voor het laagst gewaardeerde vak op de universiteit: dat van leraar. Bij het lesgeven op de basisschool was ik in contact gekomen met jeugdliteratuur. Daar wilde ik verder in studeren, maar binnen het Nederlands Instituut De Vooys was dat niet mogelijk. Via bijvakken belandde ik bij Steven ten Brinke en Lea Dasberg. De eerste wilde alleen aan zijn eigen project werken. Ik moest meedoen en had daar niet veel aan. Bij Lea Dasberg kon ik me echt verdiepen in de jeugdliteratuur. Ze verpletterde mij met haar boekje Grootbrengen door kleinhouden dat ik als een soort opvoedkundige bijbel mijn hele leven ben blijven gebruiken. Ze beloont mij tijdens het mondeling examen met de enige 10 die ik in mijn universitaire loopbaan behaal.

MBO 1

Nog tijdens mijn studie word ik gevraagd om leraar te worden op het NIMETO, een school die huisschilders en etaleurs opleidt. Het zijn allemaal gemotiveerde leerlingen, want van de 500 aanmeldingen per jaar krijgen er maar 125 een plek. Alleen werken ze liever met doosjes en lapjes stof dan met teksten en boeken. Tijdens mijn sollicitatiegesprek zegt de directeur: “Jullie, docenten Nederlands, zijn gewend om het belangrijkste vak te geven, dat bovenaan staat op het rapport en dat de meeste uren in de week op het rooster heeft staan. Hier op school is Nederlands helemaal niet belangrijk. Een kandidaat kan zijn diploma behalen met een 2 voor Nederlands.” Dat was een lekkere binnenkomer.

Ik volg het programma van mijn oudere collega. Een van de onderdelen is literatuur. De leerlingen moeten tien boeken lezen en daar een mondeling examen over afleggen. Een van mijn leerlingen heeft het boek gelezen met de titel Multatuli De schrijver is Max Havelaar. Op het examen vraag ik naar dat mij onbekende boek van de mij onbekende schrijver. De kandidaat heeft een dikke duim en zuigt daaruit een prachtig verhaal. Als ik hem vertel dat Multatuli de schrijver is en Max Havelaar de titel van het boek, is hij nauwelijks aangeslagen. Risico genomen en blijkbaar verloren.

Ik besluit dat het zo geen zin heeft deze leerlingen boeken te laten lezen. Heeft het überhaupt zin om MBO-leerlingen nog met literatuur lastig te vallen? Ik ga op zoek naar een andere invulling van het vak Nederlands en bedenk werkstukken over waarneming en het sturen van de waarneming en over een zelfgehouden enquête. Dat laatste heeft het voordeel dat het resultaat nooit een van oud-leerling gekopieerd werkstuk kan zijn en later een van internet geplukt werkstuk. De leerlingen moeten het onderwerp zelf bedenken, de vragen zelf maken, de enquête zelf uitvoeren en daarvan een verslag en een presentatie maken. Dat leverde veel meer enthousiasme op bij de leerlingen.

MBO 2

Het werken op het NIMETO heeft mij veel gebracht. Ik heb een grotere kennis van ontwerpen en kunstgeschiedenis gekregen. Ik heb projecten bedacht waar ik nog jaren plezier van zal hebben. Maar het werk als bijvakdocent bevalt met toch minder. Als op de Gemeentelijke dag- en avond-MEAO voor volwassenen een vacature is van 4 uur in de avond, solliciteer ik daarop. Op een MEAO is Nederlands als vanouds een hoofdvak. De directeur durft het niet aan de vier uur te geven aan één van de twee docenten die solliciteren: we krijgen allebei twee uren. Gelukkig breiden die uren zich uit in de komende jaren. Na een paar jaren word ik gevaagd als adjunct-directeur. In die functie heb ik veel contact met het MAVO/VAVO, dat in de tijd van de moedermavo een bloeiende school is. Avondonderwijs is in deze tijd sowieso heel popu- lair: jaarlijks hebben we ruim 600 cursisten, in een topjaar zelfs 800. Maar al snel komt de SVM-operatie, die streeft naar grotere scholen. Hoewel het onze intentie is te fuseren met het MAVO/VAVO en zo alle onderwijs aan volwassenen te bundelen, moeten wij fuseren met het Catharijne College, een gemeentelijke reguliere MEAO. De redenatie van Cor Pot, wethouder van onderwijs: “Bij de HBO-operatie ben ik mijn gemeentelijke HTS kwijt geraakt. Ik wil nu al mijn gemeentelijke scholen behouden, dus geen fusie met het niet-gemeentelijke andere volwassenenonderwijs.” Al snel volgen andere fusies: het Catharijne College gaat op in ROC Utrecht dat later ROC Midden Nederland wordt.

En daar geef ik invulling aan de rest van mijn onderwijscarrière, bijna veertig jaar lang. Eerst bij Economie en Dienstverlening, dan bij de dienst Marketing en Communicatie en uiteindelijk bij het Laboratorium-onderwijs. Daar werk ik tot mijn pensioen.

2 Het woord van de week

3 Hoe leg je uit…waarden en normen

4 Openbaar

5 Spelling

6 Family life

7 Mijn afscheidscollege