6 februari 2018
FEL

frans & elly & anne hollander
lagedijk 30
3998 kb schalkwijk
telefoon (030) 2802227
e-mail
franshollander@ziggo.nl
e-mail
anne.hollander@12move.nl

apple

eerste versie
gemaakt op
22 juli 1997

voor het laatst gewijzigd
7 februari 2018


Onderwijsverhalen

vormgeving

Bijna 60 jaar heb ik met onderwijs te maken gehad. Eerst als leerling en student, later als docent. In die periode heb ik van alles meegemaakt. Een aantal ervaringen van mij heb ik ondergebracht in een vehaal. Al die verhalen staan op deze site. Het gaat om de verhalen:

Onderwijsverhalen

1 Een leven lang onderwijs

2 Het woord van de week

3 Hoe leg je uit…waarden en normen

4 Openbaar

5 Spelling

Tot 1996 hadden we in het Nederlands twee spellingen: de voorkeurspelling en de toegestane spelling. De namen zeggen het al: de voorkeurspelling had de voorkeur, de toegestane spelling had niet de voorkeur, maar was wel toegestaan. Het woord vakantie had als voorkeurspeling de variant met de –k-, maar ook de variant met de –c- was mogelijk: vacantie. Het woord dictee had als voorkeurspelling de –c-, maar ook diktee was toegestaan.

Eigenlijk een ideale situatie, want het aantal fouten bij het schrijven was een stuk geringer dan met één spelling. Problemen met de c en de k waren er niet, want beide waren goed. Ook handig was dat je cadeau en kado mocht schrijven. En niveau en nivo en bureau en buro en plateau en plato en plumeau en plumo. Historisch ingestelde personen en mensen die op school Frans hadden geleerd, konden de Franse versie kiezen, kinderen op school konden gewoon op hun gehoor afgaan.

Wat voor mij een ideale situatie was, vonden veel mensen maar hinderlijk. Een woord is toch een woord, redeneerden zij, waarom moeten daar dan twee schrijfwijzen bij? Waarom niet een spelling waarbij maar een schrijfwijze per woord bestaat? Deze laatste groep kreeg in het maatschappelijk debat de overhand. En wat gebeurt in zo’n geval: de overheid stelt een werkgroep in. Helaas stelt de overheid dan een werkgroep in die niet bestaat uit tienjarige kinderen die de spelling moeten leren, maar uit hooggeleerde taalkundigen die alles weten van de taal en de geschiedenis ervan. Nu zou dat nog niet zo erg zijn als die werkgroep het probleem dan maar bekijkt door de ogen van de tienjarige, maar nee, de taalkundige wil laten zien dat hij veel van taal en talen weet.

En dus kiest de commissie voor de spelwijze economie, met een –c-, omdat in het Frans en het Engels dat woord ook met een –c- wordt ge- schreven. Waarom niet even naar het Duits gekeken waar het Ökonomie met een –k- is? Een kind van tien schrijft ekonomie, omdat het woord een –k-klank heeft. En waarom kiest de commissie niet voor october, dat in het Frans toch ook octobre is en in het Engels October?

Ander voorbeeld: het woord niveau moet voortaan op z’n Frans geschreven worden, met die voor tienjarigen lastige combinatie van –e-a-u. En dat terwijl een kind zonder problemen het woord nivo kan schrijven. We moeten het woord in het enkelvoud dan wel op zijn Frans schrijven, maar als we het in het meervoud zetten, is het ineens geen Frans woord meer. De Fransen schrijven niveaux, maar het Nederlandse meervoud is niveaus. Met een vaste –s volgens de Nederlandse regels van de meervoudsvorming. Het Franse meervoud is nu helemaal fout. [En hoe vaak zie je niet niveau’s, dat ook helemaal fout is?]

Voor 1996 bestond de regel bij samenstellingen dat je een verbindings-n moest schrijven als het eerste deel van de samenstelling een noodzakelijk meervoud was. We schrijven boodschappenlijstje omdat er op de lijst meer boodschappen staan.

In de les maakte in dan een grapje met de vraag: Wat is het verschil tussen een pot pruimejam van ƒ 0,98 en een pot pruimenjam van ƒ 2,98? Het antwoord is dat in de eerste pot maar één pruim is verwerkt en dat er in de tweede minimaal twee pruimen zitten.

Die regel van het noodzakelijk meervoud verdween in 1996. Nu is het altijd pruimenjam of die nu € 0.98 of € 2,98 kost.

En welke oplossing heeft de commissie gekozen voor de soep die gemaakt is met groente? Is het groentesoep of groentensoep? De redenatie is als volgt: in sommige streken van het land is het meervoud van groente: groenten. In andere streken van het land is het meervoud groentes. Omdat er dus niet een algemeen geldend meervoud is, krijgt de samenstelling groentesoep geen-n. Even terug naar het tienjarige kind. Dat woont op een bepaalde plek in het land, Daar hoort het altijd hetzelfde meervoud van het woord, zeg altijd groenten. Toch mag het geen groentesoep schrijven. Dan had hij maar wat meer kennis over de taal in andere delen van het land moeten hebben!

Zonnebank schrijven zonder –n-, omdat er maar één zon is. Ja, wel in ons stelsel, maar in het heelal is sprake van veel zonnen. Waarom dan niet ook zonnenbank? We schrijven Koninginnedag omdat Nederland maar één koningin had. Ja, maar in de wereld zijn veel koninginnen. Dus van mij had ook Koninginnendag gemogen. Misschien even wennen als we woorden als zielenheil, ruggengraat, pannenkoek, apenkool, hanenpoten op deze wijze schrijven, maar voor het kind [en ook het latere oudere kind] wel makkelijk te onthouden.

Er is dus veel inconsequent in de Nederlandse taal. Dat is goed te horen als je omgaat met kinderen die de taal aan het leren zijn. Die zijn vaak heel strikt in hun taalvorming. Mijn vierjarige kleinzoon heeft het over een touwtje dat breekte, hij vindt tarwe moeilijk uit te spreken en noemt het tarber, als we de schuur in een telefoonspelletje groter moeten maken, spreekt hij van vergroteren. Prachtig.

Gek genoeg worden de meeste fouten in het Nederlands gemaakt in de spelling van de werkwoorden. En dat is merkwaardig, omdat die werkwoordspelling juist een van de meest logische onderdelen van onze taal is. Dat het als een probleem wordt ervaren, komt vooral door de wijze waarop wij de spelling aanleren.

Zodra je in een groep over spelling en werkwoorden praat, valt het woord kofschip. Dat is wel te begrijpen, omdat dit woord uitsluitend in combinatie met werkwoordspelling voor komt. Maar het zou het laatste moeten zijn waarover we spreken, want het is immers een ezelsbruggetje om een uitzondering op de regels te kunnen onthouden. De regels vormen een systeem. Dat systeem moet je beheersen. Is dat het geval, dan zijn de uitzonderingen heel makkelijk te verklaren en te onthouden. Onlangs zag ik nog een computerprogramma werkwoordspelling. Als eerste vraag werd gesteld: eindigt de laatste letter van de stam op een letter uit ‘t kofschip? Dat is beginnen bij de staart.

Toen ikzelf nog op de lagere school zat, meer dan een halve eeuw geleden dus al, verscheen een dissertatie van een inspecteur in het onderwijs, de heer I. Van der Velden. Zijn boek had een titel De tragedie der werkwoordsvormen. Toen al was het een drama. In dat boek betoogt hij dat het onderwijs veel te vroeg begint met de didactiek van de spelling namelijk op een moment dat kinderen nog niet toe zijn aan het beheersten van het algemene schema. Waarom geven we kinderen van 10 jaar geen hogere wiskunde? Of filosofie? Waarom laten we hen geen auto uit elkaar halen en weer in elkaar zetten? Het antwoord is simpel: omdat ze er op die leeftijd nog niet aan toe zijn. Maar op diezelfde leeftijd dwingen we ze wel de spelling te leren. Waar de meesten ook nog niet aan toe zijn.

Wat gebeurt er als je iets moet leren, wat je nog niet aankunt? 1 Je leert het niet. 2 Je slaat op dat het iets ingewikkelds is. 3 Je bedient je van ezelsbruggetjes en van gokken en gissen, 4 Je verliest de bereidheid je ervoor in te spannen. Dus als op de vervolgscholen de spelling van de werkwoorden opnieuw aan de orde komt, dan komt weer boven dat je het niet snapte, dat het ingewikkeld is, dat je maar moet raden en rommelen en dat je je er niet opnieuw voor wilt inspannen. En met die instelling leer je ook op het VMBO niet hoe de spelling in elkaar zit.

Voor wie doorstudeert op een MBO herhaalt zich dit proces. En zo komen mensen in de maatschappij die nooit de spelling zullen leren.

Daarom heb ik ooit een manier van werkwoorden spellen aangeleerd, die bestaat uit tien lessen, waarin steeds een heel klein stapje wordt genomen. Zo klein, dat je eigenlijk denkt: wat is dat simpel. Daarbij ga ik uit van het algemene schema van de werkwoorden. En dat schema staat centraal in de eerste zes lessen. Pas in de lessen 7, 8 en 9 komen de uitzonderingen aan de orde: ’t kofschip, de sterke werkwoorden en ‘je’ achter het werkwoord. Wie de eerste zes lessen heeft begrepen en het totale schema van les 6 kan lezen, heeft ook met die uitzonderingen geen moeite meer.

Op de avondschool zit een man van 49, die door zijn bank naar school is gestuurd omdat alle medewerkers minimaal MBO moeten hebben. Hij meldt bij binnenkomst dat hij de spelling van de werkwoorden nooit heeft begrepen en het ook nooit zal leren. Ik daag hem uit en zeg dat als hij mijn methode volgt, hij het binnen tien lessen beheerst. Hij zet zich in, en scoort na de toets in week 11 een 10. Juichend springt hij door het lokaal.

Nog even iets over ezelsbruggetjes: een goed ezelsbruggetje is een geheugensteuntje waar je wat aan hebt en dat je gemakkelijk kunt onthouden. Mijn moeder gebruikt er vele [soms zoveel dat er een ezelsbruggetje nodig is om het ezelsbruggetje te onthouden]. Een mooi voorbeeld vind ik GRAS om ze zijden van een boot te memorise- ren: Groen Rechts Aan Stuurboord.

Een ondeugdelijk ezelsbruggetje bij de werkwoordsvorming is: maak het woord langer om te horen of e een –d- of een –t- schrijft. Ik heb die man altijd gevreesd/t. Is dat nu met een –d- of met een –t-? Maak het langer en je hoort de gevreesde man, dus het moet met een –d-: gevreesd.

Met dezelfde regel heb een kind in de fout zien gaan: hij speeld/t in de tuin. Maak het langer: hij speelde in de tuin, oh, dan moet het zijn hij speeld in de tuin.

Nog zo’n ezelsbruggetje met houtworm: Als een woord begint met ge-, of be-, dan krijgt het altijd een –d-. Ja als het een voltooit deelwoord is meestal wel, maar dat is niet altijd het geval. Het is gisteren gebeurd, eindigt met een –d-. Maar in Het gebeurt altijd onverwacht moet gebeurt echt met aan –t-.

Een laatste ezelsbruggetje: vervang het werkwoord door het werkwoord lopen, dan hoor je hoe het moet. Het gebeurt altijd onverwacht > Het loopt altijd onverwacht. Loopt met een –t-, dus gebeurt met een –t-. Hier gaat dat goed. Maar hier niet: Hij onthoofdde zijn tegenstander > Hij liep zijn tegenstander, dus het moet zijn Hij onthief zijn tegenstander.

De fout is een gevolg van het gegeven dat lopen een sterk werkwoord is, dat ook nog eens een stam heeft op –p-, een letter uit ‘t kofschip. Uitzondering op uitzondering. In mijn schema heb ik daarom gekozen voor een werkwoord dat in alle gevallen zich gedraagt volgens de regels en dat dus wel heel goed is te gebruiken als vervanging. En dat is het werkwoord zoenen.

6 Family life

7 Mijn afscheidscollege